project dat wij steunen
‘Klinische-, voedings- en andere leefstijlfactoren die de kans op dikkedarmkanker bepalen bij mensen met een verhoogd risico’
Algemene gegevens:
Projectcode: NKI 2005-3275
Titel project: ‘Clinical and lifestyle factors as determinants of colorectal tumours in high-risk populations’
Projectleider(s): Dr.ir. E. Kampman, Universiteit Wageningen
Onderzoeksperiode: 4 jaar
Eindverslag: 2010
Totaal budget: € 440.000,-
Voortgangsverslag
Motivatie
Dikkedarmkanker, kanker van de dikke darm (het colon) of de endeldarm (het rectum), is een van de meest voorkomende vormen van kanker in Nederland. Jaarlijks krijgen ruim 9.000 mensen in Nederland de diagnose te horen. Dit aantal is stijgende. Als de ziekte in een vroeg stadium ontdekt wordt, zijn de vooruitzichten relatief gunstig. Maar dikkedarmkanker in een vergevorderd stadium, vooral als er sprake is van uitzaaiingen elders in het lichaam, heeft een zeer ongunstige prognose. De overleving na 5 jaar daalt dan tot ongeveer 5%. Momenteel is bij ruim 40% van de patiënten de dikkedarmtumor bij de diagnose al in een (ver)gevorderd stadium. Vaak worden er dan uitzaaiingen gevonden in lymfeklieren en/of elders in het lichaam. Dit heeft tot gevolg dat op het moment in Nederland jaarlijks ongeveer 4.400 mensen overlijden aan de gevolgen van dikkedarmkanker. Hiermee heeft deze soort kanker het een-na-hoogste sterftecijfer in Nederland.
Het is dus van groot belang om de ziekte op tijd te ontdekken. Dit kan onder andere door alert te zijn op een van de voorbodes van dikkedarmkanker: darmpoliepen. Dit zijn woekeringen van het slijmvlies van de dikkedarm, die worden gezien als een voorstadium van de ziekte. Wanneer ze voortijdig worden weggehaald kan het ontstaan van daadwerkelijke kanker worden voorkomen. Bij mensen met dikkedarmpoliepen wordt om die reden iedere zes jaar een darmonderzoek gedaan, waarbij eventuele poliepen worden verwijderd.
De kans dat de poliepen terugkeren hangt samen met het aantal poliepen dat gevonden wordt, de grootte van de poliep en het soort poliep. Mogelijk hebben ook andere factoren betrekking op het al dan niet terugkeren van de poliepen. Het gaat hierbij met name om roken, alcoholconsumptie en het voedingspatroon. Het is bijvoorbeeld mogelijk dat mensen die een aangeboren gevoeligheid hebben voor stoffen in onze voeding en voor sigarettenrook in combinatie met hun leefgewoontes extra gevoelig zijn voor het krijgen en terugkeren van poliepen.
Een andere verhoogde risicogroep voor dikkedarmkanker zijn mensen uit families met het zogenaamde Hereditary Non-Polyposis Colorectal Cancer Syndroom (HNPCC). Dit is een erfelijke vorm van darmkanker. Het risico op het krijgen van dikkedarmkanker is in families waarin deze ziekte voorkomt meer dan 50%. Dit is geen 100%, dus niet iedereen krijgt ermee te maken. Ook hier is het onbekend of voeding en leefgewoontes in combinatie met gevoeligheid voor voedingsstoffen en sigarettenrook het risico op darmkanker wellicht beinvloeden.
Dr. Ir. E. Kampman van de Wageningen Universiteit startte naar aanleiding van bovenstaande bevindingen een onderzoek om uit te zoeken wat de invloed van leef- en eetgewoontes op het al dan niet krijgen van dikkedarmkanker kan zijn. Als hierover meer bekend is weten mensen in een verhoogde risicogroep waar zij op kunnen letten om het krijgen van dikkedarmkanker te voorkomen en zullen zij alerter zijn op hun verhoogde risico zodat de kans dat de kanker vroeg ontdekt wordt eveneens vergroot.
Aanpak
In het onderzoek maken dr. Ir. E. Kampman en haar team gebruik van twee reeds bestaande onderzoeksgroepen. Het gaat om 768 mensen met dikke darmpoliepen en 248 mensen uit families met het HNPCC-syndroom, uit te breiden tot 500 mensen. Deze mensen uit de verhoogde risicogroepen worden gedurende het onderzoek gevolgd om na te gaan wat hun eet- en leefgewoontes te zijn en om te kijken of deze het risico op darmpoliepen en darmkanker verhogen dan wel verkleinen.
De patiënten wordt gevraagd vragenlijsten in te vullen die speciaal voor dit onderzoek zijn opgesteld en zullen gedurende het onderzoek ook medisch in de gaten worden gehouden. Er wordt bloed bij hen afgenomen en ze worden gevraagd een speekselmonster af te geven voor DNA-onderzoek. Ook wordt bij de patiënten met poliepen wat weefsel van deze poliepen weggenomen voor onderzoek. Bij het onderzoek zal vooral worden gelet op genetische mutaties, epigenetische veranderingen en genetische polymorfismen. Als er sprake is van een mutatie in een gen wordt een bepaald eiwit, dat normaal gesproken de groei remt, niet of slecht gevormd. Mensen met HNPCC hebben aangeboren mutaties in een gen dat te maken heeft met het corrigeren van fouten in het DNA. Als dit gen gemuteerd is kunnen belangrijke fouten in het DNA die tijdens het leven ontstaan niet goed worden hersteld zodat versnelde tumorgroei kan optreden. Epigenetische veranderingen zijn erfelijke veranderingen die plaatsvinden zonder dat er iets in het DNA verandert, genetische polymorfismen zijn aangeboren variaties in genen die het functioneren van dat gen kunnen beïnvloeden. Het onderzoek is er dus vooral op gericht om uit te zoeken wat externe factoren, in samenspel met erfelijke factoren, voor invloed kunnen hebben op het al dan niet ontstaan van dikkedarmkanker. Hiertoe wordt nagegaan of er een verband is tussen de verzamelde gegevens en bepaalde genetische eigenschappen van de poliepen.
Resultaten tot nu toe
Uit eerdere studies van de onderzoekers en uit ander onderzoek is tot nu toe gebleken dat het risico op de niet-erfelijke variant van darmkanker 1,5 tot 3 keer groter is als mensen te zwaar zijn, roken, als ze veel alcohol drinken en als ze meer varkensvlees en rundvlees eten. Hoe roken precies van invloed kan zijn op het ontstaan van darmkanker is nog niet bekend; mogelijk doordat rokers soms wat van de giftige rook inslikken, die vervolgens in de darmen terechtkomt, maar het kan ook zijn dat het een systemisch effect is. Dat wil zeggen dat roken iets verandert in het gehele lichaam, bijvoorbeeld doordat roken de hoeveelheid foliumzuur verlaagt.
Bij vrouwen bleek ook de hormoonhuishouding van invloed te zijn op het ontstaan van darmkanker. Het gaat om factoren als op welke leeftijd zij gaat menstrueren, haar eerste kind krijgt of in de overgang raakt. Het gebruik van hormoonvervangers na de menopause blijkt het risico op darmkanker te verlagen. Net als bij roken is ook nog niet precies bekend op welke manier hormonale factoren precies een rol spelen.
Verder bleken er bepaalde gewoontes te zijn die de kans op dikkedarmkanker juist verlagen, zoals het eten van groenten en fruit. Ook aspirines en andere pijnstillers, zoals Ibuprofen, brengen het risico omlaag. Deze middelen kunnen echter moeilijk systematisch worden voorgeschreven omdat ze bijvoorbeeld weer maagbloedingen of -zweren kunnen veroorzaken.
Een andere belangwekkende ontdekking was dat leefgewoonten ook van invloed bleken te zijn bij mensen met het HNPCC-syndroom. Ook al heeft deze groep een veel hoger risico op dikkedarmkanker, toch heeft ook bij mensen met het HNPCC-syndroom het eten van veel fruit en vezels een beschermende werking, en verhoogt roken de kans om de ziekte daadwerkelijk te krijgen. De invloed van het eten van varkens-en rundvlees lijkt bij de erfelijke vorm van darmkanker van minder groot belang te zijn. Alcohol verhoogt het risico wel enigszins. Deze uitkomst is een doorbraak voor de kliniek: mensen met het HNPCC-syndroom kunnen nu zelf iets doen om hun kans op darmkanker te verkleinen.
Vervolg
In het vervolg van het onderzoek willen dr. ir. E. Kampman en haar team onder andere nagaan of een leefwijze met minder risico op darmkanker voor deze mensen misschien de tijd tot aan het krijgen van de ziekte kan rekken. Meestal begint de ziekte ergens tussen het 40e en 50e levensjaar, en het is een van de doelen van de onderzoekers om deze leeftijd te verhogen. Ook willen zij meer inzicht zien te krijgen in hoe de beïnvloeding van voedings- en leefgewoontes op het kankerontwikkelingsproces precies in zijn werking gaat.
Het onderzoek loopt de komende jaren door. Na het invullen van de eerste vragenlijsten werd er een aangepaste versie gemaakt naar aanleiding van de resultaten uit de eerste vragenlijst en nieuwe voedingsmiddelen werden aan de vragenlijst toegevoegd.
Tot nu toe zijn de resultaten veelbelovend en ziet het ernaar uit dat het onderzoek een grote bijdrage kan leveren aan het opstellen van voeding- en levensstijlaanbevelingen voor mensen met een hoog risico op dikkedarmkanker.
|